EN TOCH, OFSCHOON…,

en toch, ofschoon
de wind nu is gaan
liggen, en het bos wuift
en knikkebolt,
nu dat de slaap als
een harp klinkt en
de kinderen zingen
leg ik mijn elleboog op de
donkere middag en huil

muziek vallend door het bos
als herfstbladeren een lied
gezongen door de sopraan der eiken
vang de lange buit

maar om weg te gaan
voordat het uur een vlinder is
die opvliegt en verdwijnt.



Hans Lodeizen

Uit: Hans Lodeizen, Het innerlijk behang en andere gedichten. Amsterdam, Van Oorschot, 1952. (p. 31 en 32).

Lees het volledige gedicht

HANS LODEIZEN

Vorig gedicht

Volgend gedicht

Website gemaakt door VP Design

Stichting Muurgedichten Nunspeet Niersenseweg 25 8076 PW Vierhouten Tel. 06 – 2504 2190