EUGÈNE BRANDS DE SCHILDER

LUCEBERT

Vorig gedicht

Volgend gedicht

hij verliet de doodzieke stad

het rottende het vervettende net

en omarmde de moeder van het ademhalen

die nog armen voedt met zingende stilte

in schuimende bomen de aubadekraan

der vogels en beneden de tumultueuze

rust van vrucht en graan


in een door deze hermetische en gevaarlijke weelde

gelouterd atelier ziet hij stoïsch

hoe met in het gelid liggende penselen

en strengen verf zich overal invreet

het alles ontledende spectrum


hij smeekt dan dat het kwispelend gebit

muil van een kaleidoscopisch monster

overmeestert àlle landschap en in het zenith

van bezinning op slag gehoorzaamt

begeesterd dat ondier van licht

dat alleen de schilder bezit


Lucebert


Uit: Lucebert. Verzamelde Gedichten.  Amsterdam, De Bezige Bij, 2004.  (p. 554)

Website gemaakt door VP Design

Stichting Muurgedichten Nunspeet Niersenseweg 25 8076 PW Vierhouten Tel. 06 – 2504 2190