DE JONGEN TE PAARD

DE JONGEN TE PAARD

Hij laat den wind maar waaien door zijn haren.

Blootshoofds zit hij op ‘t steigerende paard.

Hij lacht gelukkig; zijn onrustige aard

Houdt van vermetelheden en gevaren.


Hij zit zoo rustig en hij lacht zoo fier

Dat alle menschen iets gelukkigs krijgen,

Zoo lustig galoppeert hij hen voorbij.



Willem de Mérode


Uit: Willem de Mérode, Verzamelde Gedichten, bezorgd door Hans Werkman. Baarn, De PROM, Baarn, 1987. (p. 366)

Lees het volledige gedicht.

WILLEM DE MÉRODE

Vorig gedicht

Volgend gedicht

Website gemaakt door VP Design

Stichting Muurgedichten Nunspeet Niersenseweg 25 8076 PW Vierhouten Tel. 06 – 2504 2190